Krom

‘Je ziet er wat onbeholpen uit zonder stick…’ zei de man die tegenover mij stond. Over zijn leesbril keek hij me vragend aan, met zijn blocnote op borsthoogte en pen in de aanslag. Zoals hij voor me stond, zou ik een een journalist aan kleine kinderen zou beschrijven. Lekker stereotype, zonder nuance, makkelijk te begrijpen.

Het was een week voor het wereldkampioenschap floorball in Tampere. Onze promotie voor het team en de sport bereikten de media en ik had me inmiddels ontwikkeld als ervaren voorlichter. Diverse journalisten hadden me aan de tand gevoeld met diverse vraagstijlen. Maar ik moest toegeven, de aanpak van de journalist tegenover mij, was totaal nieuw.

‘Een veldhockeygoalie en ijshockeygoalie hebben een stick…’ ging de journalist verder. ‘En jij doet het zonder stick en dat is vreemd’. Ik voelde me wat ongemakkelijk. Er was geen vraag. Wel een niet concreet gemaakte stelling waar ik mee te dealen had. ‘Een stick zou mij alleen maar belemmeren’ antwoordde ik. ‘Ik heb nu de mogelijkheid om de bal snel terug in het spel te brengen’. De journalist krabbelde in zijn blocnote en dacht even na. ‘En dat doe je met je handen?’

Hij wachtte niet op een antwoord en vroeg meteen of hij mijn vingers mocht zien. Ik trok mijn handschoenen uit en strekte mijn vingers. ‘Ik zie het al’ zei de journalist na een korte inspectie. ‘Jouw vingers zijn vaak gebroken geweest.’ Ik geloof dat ik op dat moment letterlijk even achter mijn oren heb gekrabd. Probeerde de journalist mij te vertellen dat ik een flink aantal weken gips over het hoofd had gezien?

Voor de verandering stelde ik maar eens een vraag; ‘Oja? Hoe kunt u dat zien?’. Met zijn linkerhand pakte de journalist de mijne en wees met zijn rechter hand de betreffende “aangedane” vingers aan. ‘Deze zijn krom’ zei hij vol overtuiging en hij kneep nog even voorzichtig in een aantal vingerkootjes. Hij zuchtte: ‘Gevaarlijke sport, dat floorball’.

^LR